© 2012 Chris van Dijk 20120407-085329.jpg

De mijnen van Potosi, een verwarrende ervaring

De zilvermijnen in Sumaj Orcko (Quencha voor ‘de mooiste berg’) bij Potosi. Volgens het verhaal zou de Inca ontdekker, Hualpa Capac, bij de ontdekking een stem hebben gehoord die zei: ‘Dit is niet voor jullie. Deze rijkdom komt volgens Gods wil toe aan de personen die van ver komen.’ De inca’s gaven de heuvel de naam ‘Potojchi, hij die buldert, hij die ontploft. In 1545 vertelde Hualpa aan de Spanjaarden over het bestaan van de heuvel en het zilver daarin. Cerro Rico, rijke heuvel, in het Spaans. De beroemdste zilverberg ter wereld bij Potosi is een meter of 900 boven de hoogvlakte van 4000 meter hoog. Dus helemaal niet zo groot. Daarin duizenden mijngangen tot 17 verdiepingen en 450 meter diep. Vanaf halverwege de zestiende eeuw is deze zilverberg door de Spanjaarden ontgonnen. Vanwege zijn onvoorstelbare hoeveelheden zilver gaf de Spaanse koning Karel V Potosi de wapenspreuk ‘Ik ben het rijke Potosi, de schat van de wereld, de koningin van de bergen en de begeerte van de koningen.’ Voorts maakte hij Potosi de enige Zuid-Amerikaanse Keizerstad. Ooit kwam er de helft van de wereldproductie aan zilver vandaan. Twee eeuwen onvoorstelbare hoeveelheden zilver. Spanje en Europa werden er rijk van. In de zeventiende eeuw had de stad meer inwoners dan Londen en Parijs (165.000 inwoners nu 145.000). De zilverproductie uit Potosi zou onontbeerlijk zijn geweest voor de ontwikkeling van het kapitalisme. Bij de exploitatie van de mijnen in Potosi zijn ongeveer acht miljoen (!) Aymara’s, Quechua’s en zwarten overleden. Zij stierven door de kwikdampen (gebruik van Mercury!), uitputting en dergelijke.
Nadat het zilver in de negentiende eeuw voor een groot deel gedolven was, raakte Potosi in verval (1825 nog 9000 inwoners) totdat er in de negentiende eeuw vooral tin, lood, zink en ook wat goud werd gevonden. De Boliviaanse overheid ging de mijnen toen exploiteren. Tot de tachtiger jaren van de vorige eeuw. Vanwege dalende grondstofprijzen was het daarna niet meer rendabel. Sinds die tijd exploiteren veel kleine coöperaties de restanten. Er zijn ongeveer 120 mijnen (cooperaties) en 12.000 mijnwerkers. De jongste is 10 en de oudste 68. Zowel het eerste als het laatste is opmerkelijk. Ouder dan 45 worden de mijnwerkers over het algemeen niet. Zij komen in aanraking met stoffen als silicose, asbest en sulphiet, die vrijelijk in de mijnen ronddwarrelen. Dag in dag uit, zonder enige bescherming. Voorts gaat het scheiden van het zilver nu niet meer met het zeer gevaarlijke Mercury, maar met het niet direct dodelijke arsenicum. Als de mijnwerkers al niet sterven door deze stoffen dan is het wel door zelf teweeggebrachte ontploffingen of door het instorten van schachten. ´Aardig´detail is nog dat veel schoolkinderen tijdens de vakanties in de mijnen werken.

Afhankelijk van de waarde van het metaal dat de mijnwerkers delven verdienen zij ongeveer 60 tot 120 Bolivianos per dag. Dat is 7 tot 14 EURO. Het is bijna beschamend dat wij op dit moment samen ongeveer 65 EURO per dag uitgeven. Daarbij doen wij noch zuinig, noch luxe. Uiteraard krijgen de mijnwerkers geen geld als er niets wordt gevonden. Van hun loon moeten de mijnwerkers wel hun eigen gereedschap kopen. Als zij 25 jaar werken kunnen zij lid van een cooperatie worden. Natuurlijk moeten zij daarvoor nog wel leven. De mijnwerkers werken in beginsel 8 uur per dag, 5 dagen per week. Soms is dat echter 24 uur per dag of 7 dagen per week.

Op de veiligheid in de mijnen wordt niet gecontroleerd. De mijnwerkers moeten daar zelf op letten. Zij bepalen ook waar zij gaan werken. Slechts incidenteel zegt een manager van een cooperatie dat dit of dat stuk van een schacht gestut moet worden. Een van onze gidsen is, zoals veel andere mijnwerkers, zeer teleurgesteld in de huidige indiaanse president Evo Morales. Bij zijn verkiezing beloofde hij de mijnwerkers te zullen helpen. Sinds toen, acht jaar terug, is er niets gebeurd. Zij vertrouwen daarom meer op El Tio, een duivelse verschijning met hoorntjes en een groot geslacht.

Zowel de Trotter als de Lonely Planet raden een bezoek van de mijnen aan. Trotter noemt het ‘onvergetelijk en traumatiserend´, Lonely Planet ´demanding, shocking and memorable´. Beiden waarschuwen ook voor de gevaren. ´Fairly nightmarish places´, noemt de Lonely Planet het. Dat alles is niets te veel gezegd. Wij gaan met Koala Tours de mijnen in. De naam is gekozen, omdat Koalaberen evenals mijnwerkers van de cocaplant houden. Deze organisatie wordt geleid door ex-mijnwerkers. Veertig procent van de inkomsten worden aan betere omstandigheden in de mijnen besteed. Wij zien daar als wij later in de mijnen komen overigens niet veel van. Onze groep bestaat uit twintigers en begin dertigers en wij.

Voordat het bezoek begint krijgen wij kleding – broek, jas en laarsen – om onze kleren te beschermen. Kennelijk is dat belangrijker dan de gezondheid. Daarvoor krijgen wij alleen een helm met licht erop. Precies dezelfde uitrusting als de mijnwerker zelf. Alleen heeft hij nog een carbid lamp om (te) giftige stoffen te kunnen detecteren. Iets voor het bedekken van je neus of mond krijg je niet. Toeristen wordt aangeraden doeken te kopen. Wij dragen die. Mijnwerkers zelf doen dat niet. Zij zijn er te stoer voor.

Alvorens de mijn in te gaan, bezoeken wij de mijnwerkersmarkt. Daar kopen de mijnwerkers de ontstekers, nitroglycerine en het dynamiet dat zij nodig hebben bij het werk. De ´lont´ is niet langer dat een centimeter of 60. Zij bepalen zelf waar zij een stuk rots gaan wegblazen om te zien of er een adertje van het een of ander loopt. Wij zouden dit spul ook op de markt mogen kopen. Op de markt zijn ook cocabladeren, (vrijwel) pure drinkbare (?) alcohol en sigaretten te koop. Dit kopen de mijnwerkers om te consumeren in de mijn. Door het stof is echt eten niet mogelijk. Ook offeren zij de cocabladeren, alcohol en sigaretten aan El Tio. In de mijnen staan diverse provisorische beelden van hem. Op verzoek van de gids kopen wij genoemde artikelen om aan de mijnwerkers in de mijn te kunnen geven.

Wij bezoeken twee mijnen die met elkaar verbonden zijn. De eerste is uit de zeventiende eeuw, de tweede uit 1551. Maar niet getreurd, renovatie heeft in 1936 plaatsgevonden. Buiten is het een vervallen bende. Binnen blijkt het niet anders te zijn. Wij lopen de mijnschacht in. Deze is ruim een meter breed en ongeveer 1,80 hoog. Er loopt in het midden een smal spoortje voor ijzeren karretjes waarmee het gedolvene wordt vervoerd. Er is geen verlichting in de mijn. Wij moeten het hebben van de lichtjes op de helm. Direct valt op dat de stutten her en der zonder enig plan staan. Vele steken uit of zijn zelfs (bijna) gebroken. Het geheel maakt de indruk dat het ieder moment kan instorten, wat een paar maal per jaar overigens ook gebeurt. Langs de wand lopen enkele plastic buizen die tenauwernood hangen. Soms lopen wij door het water. Dan mogen wij de buizen absoluut niet aanraken. Na vijfhonderd meter lopen komt er een karretje met rotzooi aan. Op handkracht, getrokken door een mijnwerker. Wij moeten de kar tegen de wand gedrukt laten passeren. Dan wordt het Lot te veel. Terecht. Zij wil terug. Dat lijkt de enige juiste beslissing. Zij gaat terug met een van de twee gidsen. De rest gaat door. Een stukje verder moeten wij van het eerste niveau afdalen naar het tweede. Daarvoor moeten wij eerst een wiebelende trap met nogal losse treden af. Weinig aantrekkelijk omdat naast de trap een gat van een meter of twintig is. Daarna moeten wij zeven minuten een 40 centimeter hoge gang op ons buik door kruipen. Vervolgens moeten wij nog een hol naar beneden glijden. Hierna wordt de gang weer wat breder en hoger. Wel moet je voortdurend opletten dat je je hoofd niet stoot tegen het plafond, of gewoon tegen een uitstekende stut. Hele stukken moeten gebogen worden afgelegd. Met enige regelmaat horen wij het geknal van dynamiet. Even later ruik je het. Ook ruik je nu en dan giftige stoffen. Ademen gaat soms moeilijk. Vanwege het druppen van arsenicum mogen wij soms niet naar boven kijken. Af en toe passeren wij koppels mijnwerkers. Zij scheppen driftig rotzooi in plastic emmers die naar boven worden vervoerd of hakken in de wand. Uiteraard zonder beschermende mondkapjes. Wij geven hen de door ons op de mijnwerkersmarkt ingeslagen cadeaus. Ook komt er nu en dan een ijzeren kar volgeladen met rotzooi aan. Wij moeten dan aan de kant. Zo´n kar van 500 kilo wordt door een mijnwerker getrokken en door twee geduwd. In een bepaald deel van de mijn is het ruim 40 graden. Daar werken de mijnwerkers zwetend en met ontbloot bovenlijf. Waar zij werken stort een stuk ondergrond (gecontroleerd?) in. In ieder geval stonden er even tevoren mensen van onze groep. Daarnaast loopt een spoor honderd meter de diepte in.

Als wij uit de mijn komen kijkt iedereen strak voor zich uit. Wat een ervaring en wat een verwarring roept deze mijn met middeleeuwse of in ieder geval negentiende eeuwse werkomstandigheden op. Ach verstandelijk weet je wel dat het bestaat, maar het zelf zien…

Hoe is het mogelijk dat zoiets nog bestaat en dat de winsten van de mijn gewoon naar het buitenland wegvloeien? En ergens speel je zelf ook een rol in het geheel. Wij willen toch zo goedkoop mogelijke grondstoffen? Hoe is het mogelijk dat in een land als Nederland geprocedeerd wordt over de vraag of iemand met de asbestziekte mesothelioom dertig jaar eerder blootgesteld is geweest aan enkele asbestvezels? Hoe verhoudt zich dat met de hier vrijelijk dwarrelende asbest? En met het gegeven dat een ieder, ook wij in Nederland, buiten op straat dagelijks tienduizenden asbestvezels binnenkrijgen? Tenslotte, wat hebben wij in Nederland te klagen? Hoewel dat natuurlijk te makkelijk is komt de gedachte op om de klagers een weekje in deze mijn te laten werken.

Tot slot blijft niet veel meer over dan verdriet en schaamte.

(een mooie film over de mijn in Potosi is ´the Devil s miner´)

20120407-083914.jpg

Lot met gids

20120407-083928.jpg

Dynamyt Chris

20120407-083948.jpg

Ingang van de mijn, een van de vele

20120407-084009.jpg

De gids

20120407-084046.jpg

Pin de mijn…

20120407-084052.jpg

20120407-084109.jpg

20120407-083934.jpg

Miners market

20120407-083940.jpg

20120407-084038.jpg

….verder in de mijn

20120407-084210.jpg

20120407-084219.jpg

20120407-084226.jpg

20120407-084234.jpg

20120407-084245.jpg

Huisjes net buiten de mijn.

20120407-084305.jpg

20120407-084314.jpg

De fabriek

20120407-084323.jpg

20120407-084339.jpg

Zilverzand

20120407-084332.jpg

20120407-085329.jpg

Stoer!

6 Comments